Mirjam Mieras

28.04.17

volle koffer

onderzoek naar verlangen (1)


 

Daniil Charms schreef vreemde geschiedenissen in weinig woorden en opent steevast met een zin als een vuistslag.
Peretsjin ging op een punaise zitten, en vanaf dat moment nam zijn leven een totaal andere wending. (…)
In zijn dagboek schrijft Charms op 31 oktober 1937: Mij interesseert alleen ‘onzin’; alleen dat wat geen enkele praktische zin heeft. Mij interesseert het leven alleen in zijn ongerijmde verschijningsvorm. (…)
Ten tijde van de Stalin-terreur is in Rusland niets meer wat het lijkt. Charms vertaalt de alledaagse paranoia naar absurde ‘onzin’. Hij laat een verhaal vlak na aanvang spaak lopen:
Anton Michajlovittsj spuwde, zei ‘ech’, spuwde weer, zei weer ‘ech’, spuwde weer, zei weer ‘ech’ en ging er vandoor. God zij met hem. Ik vertel liever over Ilja Pavlovitsj. (…)
Over Ilja Pavlovitsj is hij ook kort, liever vertelt hij over Anna Ignatjev. Na drie regels is hij klaar met haar en begint hij over zichzelf. De schrijver gumt zijn verhaal gaandeweg uit en laat de lezer alleen achter.

Er zijn weinig pagina’s in Charms oeuvre waarin géén doden vallen. Vaak gaat het in de eerste zin al mis:
Op een dag had Orlov zich overeten aan de erwtenpuree en hij ging dood.(…)
Een man met een dunne nek kroop in een hutkoffer, deed het deksel boven zich dicht en begon te stikken. (…)

Toen Charms in 1941 in Leningrad werd gearresteerd en tot aan zijn dood in 1942 gevangen zat, lag zijn oeuvre, een koffer vol manuscripten, in zijn woning. Een vriend van de dichter ontfermde zich over die koffer. Charms’ laconieke toon waarmee hij de ongelukkige voorvallen schetst, maakt de verhalen tegelijkertijd wreed en lachwekkend. Ongerijmd is zijn werk zeker, ongerijmd en hoogst aantrekkelijk.

Van de tien opera’s die Claudio Monteverdi schreef tussen 1607 en 1642, bleven er drie bewaard. De klaarheid van deze muziek is als een mooie dag in januari; fris, helder en zonovergoten. De muziek volgt het gemoed van de personages, de stemmen maken een rank weefsel van verdriet en geluk dat zich uitstrekt tussen toen en nu.

Bij aanvang worden de goden ten tonele gebracht en aan ons voorgesteld. Er speelt al enige rivaliteit tussen hen. Met de opkomst van de gewone stervelingen rijst het vermoeden van een conflict dat uit de hand gaat lopen. We maken mee hoe de wolken boven het gezelschap samenpakken en het onweer losbarst. Liefde, haat, macht, noodlot, waanzin en dood maken opera rijk. Zeven keer dàt is kwijtgeraakt, ergens tussen toen en nu.

Wie heeft de koffer met de ontbrekende partituren gezien? Een koffer vol ruzies, verlangen, bittere tijden, wrede wendingen, trompetgeschal, vlugge strijkersloopjes en blokfluiten?

De tekstcitaten van Danill Charms komen uit: Ik zat op het dak
proza, toneel, gedichten, dagboekaantekeningen, brieven.
Vertaald door Margriet Berg, Yolanda Bloemen, Jan Paul Hinrichs en Marja Wiebes
Gekozen door Yolanda Bloemen met een nawoord van Jan Paul Hinrichs,
uitgegeven door uitgeverij Atlas, 1999

← onstuimig en verloren
landschap is voor schilders →