Mirjam Mieras

17.10.05

glans

onderzoek naar gelaagdheid (1)


 

Per boot verlaat ik Europa. Op de houten banken van het bovendek zitten ongedurige reizigers. In het gangpad staan dichtgebonden dozen. Onder de knoop, waar het touw kruist, steekt een kleingevouwen krantenpagina.

Op de kade trekken mannen de trossen los en kijken toe hoe het schip zich verwijdert. Langs hen strijkt een flard rook.

Een kelner maakt virtuoze passen om de bagage heen en roept. Op zijn dienblad liggen glanzende broodringen hoog opgetast.

‘Appelthee’ schreeuwt zijn collega. In de handen houdt hij eenzelfde zilveren blad waarop glaasjes staan vol dampende thee. De vloeistof oogt als deinend goud. Thee en rand verhouden zich als schip en horizon.

Azië is niet ver. Het ligt op de oever, versiert met een silhouet van minaretten en koepels. Balken tegen de kadewand markeren de plek waar het schip gaat aanleggen.

Aan boord heeft het gezelschap de bagage opgepakt en verdringt zich op de trappen naar het onderdek. Nog voor de touwen uitgeworpen zijn, springen de eersten aan wal en spoeden zich de stad in.

In Istanbul denk ik na over schoonheid.

Tussen haveloze huizen hangt in lange slingers was te drogen. Beddengoed, hoog boven kapot plaveisel, bolt op in de wind en sokken slingeren aan een molentje.

Geglazuurde tegels in felle kleuren bekleden de wanden van moskeeën en paleizen, het patroon slechts onderbroken door de voeg.

De miljoenenstad zwijgt binnen de muren van de moskeetuin waar de rozen uitbotten in de perken. De lente bijt ongenadig in de gekeerde aarde en werpt licht over het pad van stenen. Een patroon van licht en schaduw ligt voor mijn voeten. De gelaagdheid van het beeld ontroert me. De steen, de bewerking ervan het licht dat er op valt en mijn blik. Niet eerder keek ik op die manier naar vlekken op plaveisel.

De ober zet het bord voor mij neer, schikt het nauwkeurig tussen het bestek, en wacht. Het gerecht heeft dezelfde kleuren als het tafelkleed.

‘Wat is het?’, vraag ik.

Hij buigt zich voorover, pakt het mes en wijst. Hij noemt de ingrediënten. Wat ik niet ken schept hij op het puntje van het mes en reikt het mij aan, zijn linkerhand houdt hij daarbij op zijn dasspeld.

De sneetjes stokbrood in het mandje lijken stuk voor stuk op een konijn. Heeft hij die toevalligheid opgemerkt bij het snijden?

De juwelencollectie bevindt zich achter dik glas en is aangelicht door spotjes. Ik zie goud, zilver en edelstenen en ik zie mijzelf weerspiegeld in de ruit.

De sultan zette ooit zijn zinnen op dit alles. Fonkelende facetten 86 karaats, omsloten door een krans van diamanten. Het heeft dezelfde adembenemende schittering als de vis op de markt, oplichtend als parelmoer en zilver. Een snoer van peertjes wiegt boven de waar, de koopman bespat de vis van tijd tot tijd met water.

← strooibloemen