Mirjam Mieras

26.06.12

herziene versie

onderzoek naar schrappen (1)


 

Het kind dat ik ooit op de arm nam, studeert nu geologie in Parijs. De zomers van zijn kindertijd verbleef ik in het gehucht waar hij opgroeide. Ik speelde met hem cache-cache, en wat later maakten we wandeltochten over de hoogvlakte en fietstochtjes door de streek.

Baptiste heeft nu zijn studie onderbroken voor een fietstocht van 10.000 km in Zuid Amerika. Hij fietst met Thomas door woestijn, zoutlandschap en hooggebergte. In zijn blog ushaïa-quito schrijft hij over nachten van -25 graden, sneeuw, tegenwind en valpartijen. Ik lees het reisverslag met bewondering en lichte jalousie. Mij ontbreken lef en nieuwsgierigheid voor avontuur.

In een ordner bewaar ik twaalf versies van het korte verhaal Siësta. Ik schreef de eerste versie een jaar of acht geleden. Uren schaafde ik aan de tekst over twee fietsers, een jongen en een vrouw, op weg naar de houthakker. Zij heeft een oogje op de houthakker. Onderweg kopen ze bij de bakker wat lekkers om mee te brengen bij hun onaangekondigd bezoek. Het verhaal is de weerslag van mijn fietstocht met Baptiste naar Patrick. Tot en met de twaalfde versie troffen we de houthakker thuis.

De open deuren en ramen geven slechts stilte prijs. In het donker van de siësta roert zich niets. Afwachtend kijken ze rond. De moestuin ligt er mooi bij. Ze zien het weiland. Twee schapen staan stijf onder een boom. En als de blik van de jongen en de vrouw over de heuvels gegleden is tot aan de bergen in de verte, klinkt er in het duister van het huis een stem die hen begroet.

Die twaalfde versie heeft een paar mooie zinnen maar is, door die liefde van haar voor de houthakker, te ingewikkeld. Nieuwsgierig of me het zou lukken, schrapte ik vandaag de houthakker. In de dertiende, herziene, versie kopen de twee fietsers bij de bakker van Saint-Jean-La-Vetre niet drie maar twee chaussons aux pommes.

Siësta

De weg gaat langs het weiland met de koele flanken. Dalen gaat geruisloos over in stijgen en in Saint-Jean-la-Vêtre ontsnapt ze aan de klim. Ze schakelt en rijdt over de schaduw van de huizen tot voor de boulangerie.

‘Croissant aux amandes?’ vraagt ze de jongen die pal achter haar tot stilstand komt. Hij grijnst, zonder foerage gaat zij nooit op stap, weet hij. Ze bracht de zomers al door in zijn dorp nog voor hij geboren was. Hij wist niet beter dan dat zij jaarlijks kwam en ging. Hij zet zijn fiets tegen die van haar voor de etalage en volgt haar naar binnen.

‘Op’ zegt de bakker. Het restant van wat hij in de nacht bakte ligt op de toonbank uitgestald. De amandelbroodjes ontbreken.

‘En wat is het dat zich verstopt heeft tussen het bladerdeeg?’, vraagt ze. Haar taal is vreemd. Met de werkwoorden maakt ze fouten waar de jongen aan gewend is geraakt. Ze koopt twee appelcompotes in bladerdeeg en groet de bakker.

Met een slok water uit de bidons prepareren ze zich op de tweede etappe. De papieren zak met lekkers heeft ze zorgvuldig op de bodem van de fietstas gelegd.

Haar fiets is oud, bij het schakelen hoort hij de derailleur. Ze vloekt en lacht en zegt hem dat voorbij de bocht de top is. Ze kent de weg maar hij weet beter. Tussen deze bocht en het hoogste punt slingert de weg nog twee keer. Het asfalt is nieuw en bestrooid met steentjes die knerpen onder hun banden.

De Gazelle gaat langzaam en toch blijft hij achter haar rijden, zal hij haar pas na de col voorbij suizen.

Ze ziet dat ze ongelijk heeft. De weg stijgt en het oneffen pad dat zij met haar ogen zoekt, het pad dat op de top links van het asfalt het bos in gaat, blijft uit.

‘Verdomme, Baptist.’ Ze hijgt.

Daar waar het stijgen stopt en keert, schakelt ze. De derailleur ratelt. Ze maakt tempo en tussen de bomen ziet ze in de verte de huizen en de kerktoren van Saint-Didier.

Baptist flitst langs en in zijn stem klinkt gespeelde wanhoop. ‘Help, ik heb geen remmen.’ Hij steekt de bochten af. De snelheid klappert tussen zijn shirt en rug. Ze zal hem terugzien op het plein, beneden, in het dorp. Ferm knijpt ze bij iedere bocht in de remmen. Ze is bang voor de steentjes.

De jongen heeft op haar gewacht en rijdt rondjes om de fontein van Saint-Didier. Het is siësta en Saint-Didier lijkt uitgestorven. Bij het café slaan ze links af en rijden het dorp uit.

Waar het vlak is fietsen ze naast elkaar, door de vlekken zonlicht op de weg. Ze wijst hem op de stallen van graniet en noemt die muren op zacht gras de mooiste uit de streek. Het werkwoord heeft ze vervoegd.

← oponthoud
Paard →