Mirjam Mieras

07.03.14

gipshappen

onderzoek naar verzamelen (7)


 

In het vierde en vijfde jaar kregen we les van Krijn Giezen. Hij kwam het liefst op de fiets uit Noordwijk naar de Prinsessegracht in Den Haag en had steevast een visserstrui aan.

Meestal gingen de gesprekken over het werk van de studenten maar soms vertelde hij over zijn eigen werk. Ik herinner me twee van zijn projecten: zijn tocht, op de fiets, langs alle bunkers van de Atlantic Wall en zijn fotoserie over de werkplek van handwerkslieden. De bakker die een melkwit gebruikt als stutje in zijn bakkerij, daar had Krijn plezier in.

Vijfentwintig jaar geleden studeerde ik af aan de academie en zag Krijn niet meer. In 2012 overleed hij.

Vandaag zag ik flosdraad als brillentouwtje om de nek van de tandarts en dacht aan Krijn en zijn verzameling.

Ik was terug bij de professor orthodontie aan de universiteit. Als twaalf jarige kreeg ik ooit een beugel aangemeten door studenten van de professor. Slotjes, buitenboordbeugel, elastiekjes, veel gipshappen en veel foto’s. Sinds de tanden en kiezen in het gelid staan word ik eens in de vijf jaar opgeroepen, het wetenschappelijk onderzoek duurt voort. De professor is er altijd en coacht zijn studenten die zich in de zaal twee-aan-twee buigen over de patiënten. De ene keer zag ik van de professor slechts een glimp, een andere keer kwam hij op mij toegelopen en riep hij opgewekt: ‘Daar is Mirjammetje.’

In het fotoarchief zit zijn Mirjammetje met een sullige trui aan, met door haar moeder geknipt haar, met ongemakkelijk blik. Twee haken trekken mijn wangen opzij. Flits. Ik lach op commando mijn tanden bloot. Flits. Alles voor de wetenschap.

We gaan weer gipshappen, de professor kneedt was op de randen van de steunmal. Niet eerder klaarde hij die klus bij mij, het waren altijd de studenten die in lichte paniek de met blauw pepermuntgevulde steunmal tegen mijn gehemelte drukten. Uitgehard in 30 seconden. Eerst beneden en dan, met een andere steunmal, boven. Als de afdruk mis is moet het over.

De professor is trefzeker, zijn silicone is roze met frambozensmaak, hij duwt de steunmal ferm en feilloos op zijn plek. Tussen het happen door vraag ik hoe het zit met de nieuwe kleur en smaak. ‘Het is door de managers aanbesteed,’ zegt hij, ‘mij is niets gevraagd.’

De mallen zijn goed. Nog een laatste keer kijkt de professor in mijn mond en vertelt over vullingen. Met amalgaam is niks mis totdat je begraven wordt. Het vervuilt de grond, dat is het enige nadeel van het in opspraakgeraakte vulsel. Hij illustreert zijn stelling met zijn moeder-van-honderd en haar vriendinnen. ‘Stokoud geworden met amalgaam,’ zegt hij. Op haar verjaardag bekeek hij hun tanden en kiezen. Pretogen heeft hij als hij over die vullingen en kronen vertelt.

Ik luister graag naar de professor en kijk naar het gerafeld draadje aan zijn bril. Het valt me op dat hij me met ‘u’ aanspreekt.

← moeraspluimpjes
radar →