Mirjam Mieras

10.06.13

slotgracht

onderzoek naar samenhang (16)


 

Drie dagen liepen we langs de kust van Yorkshire maar zagen weinig van de zee want het mistte als op High Cup Nick. Onze voettocht eindigt in Robin Hood’s Bay.

De zestiendaagse Pennine Way was avontuurlijk verlopen, de etappe over High Cup Nick was zwaar omdat hevige regen het landschap overspoelde met gezwollen riviertjes en watervallen. Binnen vijf minuten waren Marks schoenen doorweekt, de mijne tien minuten later.

De tocht over de kliffen van Yorkshire is het toetje na de Pennine Way, Robin Hood’s Bay is de slagroom op het toetje.

De zon schijnt. We slenteren over drooggevallen rotsen en bespreken tij en springtij. Onderwijl kijken we naar de grond en bewonderen de pokken en zeewieren. Tussen de rotsen vinden we in het water, tussen waterplanten, een groene krab met stippen en noemen haar Marlies.

De doelloosheid van ons slappe tempo steekt af bij de voorafgaande weken met vaart en richting. We vragen ons af of het verstandig is om tot het einde van de rotsen te lopen, over tij en springtij denken we verschillend, en we zien dat de meeste badgasten niet op de rotsen maar op het strand zijn. Bij een grote zeepok keren we om, lopen langs Marlies om haar te groeten en keren terug naar het grijze zandstrand.

Daar is een knul bezig een diep gat te scheppen. Verderop bouwen drie meisjes een kasteel. Het ene meisje verzamelt steentjes, het andere maakt modder en de derde metselt van de modder vier torens binnen een slotgracht. Ze zijn druk.

Het meisje van de modder stort een emmer water leeg in de slotgracht. Het water verdwijnt ogenblikkelijk en de meisjes geven zich, na een tweede emmer water, gewonnen. Ze drukken de steentjes in de facade van het slot en zijn tevreden. Het is tijd om naar huis te gaan, hun moeder spoort ze aan zich om te kleden.

De knul heeft een sleuf gegraven waardoor het zeewater naar het reservoir stroomt. Hij springt heen er weer langs het waterwerk om alles in goede banen te leiden, werpt dijkjes op waar het water buiten de oevers treedt, diept het kanaal uit en heeft nauwelijks tijd mij te woord te staan. ‘Hoe diep is het reservoir?’, vraag ik. Hij snelt naar de poel en steekt zijn schep er in. ‘Zo diep’, zegt hij en begint meteen te scheppen om de dichtslibbende poel leeg te baggeren.

De jongen gaat voorlopig nog niet naar huis, waarschijnlijk dat de vloed hem uiteindelijk de pas af snijdt.

← kelder
perspectief →