Mirjam Mieras

05.08.09

vuil

onderzoek naar gelaagdheid (4)


 

Het Centraal Station van Amsterdam heeft vijftien sporen. Drie kappen – één uit 1889, één uit 1922 en, ertussenin, één uit 1996 – overdekken de rails en de perrons. Sinds de ingebruikneming van het station rijden er treinen onder de halve cirkel van glas door die de overkapping aan de oost- en aan de westzijde afsluit. Het dak beschermt reizigers tegen regen en zon maar niet tegen kou en hitte. De ruimte mist te zeer beslotenheid om als binnen aangemerkt te worden, en is te zeer verstoken van weersinvloeden om voor buiten door te gaan.

De constructie aan de kopse kanten van de stationsoverkapping is, vanwege duivenoverlast, bespannen met gaas. Dit gaas is een paar jaar geleden schoongemaakt. Hoewel ik erg kan genieten van properheid en kraakheldere orde-op-zaken was ik misnoegd over de inspanning van de schoonmaakploeg. Het vuil van jaren werd uit het raamwerk geklopt en daarmee verdween er een prachtig wolkerig beeld dat verwees naar de tijd dat stoomtreinen gehuld in rook dit station aandeden. Intercity, sprinter en Thalys gingen niet langer meer met een roetpluim getooid.

Inmiddels heeft het vuil zich weer vastgezet in het gaas en vallen heden en verleden opnieuw samen.

De oudste van de drie overkappingen is de grootste en sluit aan op het stationsgebouw in rode baksteen van architect P.J.H. Cuypers. Sluitstenen, reliëfs en drempels van zandsteen zijn hier en daar versierd met gouden krullen. De constructie van de stationskap, van de hand van ingenieur/architect L.J. Eijmer, is van staal. Streng en functioneel is zijn ontwerp. Hooguit de klinknagels op de 50 boogspanten kunnen als versiering worden opgevat.

De overgang van het stationsgebouw en de kap werd vormgegeven door Cuypers. Hij vulde de ruimte tussen de vertikaal van zijn gebouw en de kromming van Eijmers kap op met smeedwerk. Krullen en rozetten markeren de overgang.

← half-fabrikaat
groei →