blanco

onderzoek naar kijken (4)

Het stilleven bestaat voornamelijk uit verpletterend-roze pioenrozen. Naast die woeste koppen in een witte vaas staat een somber-turquoise waaier met aantrekkelijke vouwen. Ik besluit deze schilderles de kleuren met zwart en wit te lijf te gaan en verheug me op het scala aan grijs dat me wacht.

Ik luister naar de instucties van de docent. We moeten een onderdeel van het stilleven kiezen en dat naschilderen. Op de ezels staan al paneeltjes klaar. De rechthoek kan op zijn lange kant staan of op zijn korte kant. Je mag kiezen, zegt de docent. Ik maak mij zo blanco als het canvasomspannen karton dat voor mij staat. Laat ik deze openbare schilderles in het museum ten volle benutten en helemaal bij het begin beginnen. Ik kantel mijn paneeltje. De docent stelt voor het oppervlak een tint te geven voordat we echt aan de slag gaan. Ze vertelt over het kiezen van een spannende compositie, wijst me op een klein kadertje dat naast mijn paneeltje ligt waardoor ik het stilleven kan afspeuren tot mijn oog valt op iets dat me bevalt. Ze brengt me drie kwasten, een pot water, een sponsje en, op mijn verzoek, een karig pallet met alleen zwarte en witte acryl.

Bij nader inzien zijn de pioenen onbruikbaar. Mijn oog glijdt over een klein kruikje, rechts ervan staat een ananas, links ligt een vlekje schaduw.

Een ogenblik later is het pallet een bende en de waterpot ziet zwart als een stinksloot. Er zit verf op het doek, op de drie kwasten, op al mijn vingers. Ik ben al lang niet meer blanco. Ik herinner me de lessen van lang geleden en de aansporingen van de docenten om te kijken en niet te denken. Bekijk het werk op afstand, kijk door je oogharen, overdrijf waar nodig, laat weg wat niet nodig is, kijk morgen met een frisse blik opnieuw naar het werk.

Op mijn paneeltje staan nu een paar ferme vlekken. Ik tuur naar de ananas. Mijn opperste concentratie slaat om in krankzinnige roekeloosheid. Het is onmogelijk. Ik strijk met zwart en de dikste kwast. De vlek verrast me. Dan veeg ik met een sponsje de details op de achtergrond bijeen. Opzouten met dat gepriegel, alleen grote partijen wil ik op dit kleine oppervlak. Ik kijk hardop.

Een paar schildersezels verderop staat een meisje te werken aan een schilderij van de waaier. Ze heeft de zigzag sierlijk verdeeld over haar liggende paneel. Naast mij werkt een meneer aan een VOC-schip op volle zee. Hij legt de laatste hand aan de golven met woeste koppen en staat met zijn rug naar het stilleven.

De docent staat achter mij en kijkt over mijn schouder mee. Ze volgt op haar rondes langs de ezels ook de stoelendans van vlekken op mijn schilderij. Ze benoemt de veranderingen op een manier dat er vertrouwen uit spreekt. Ze kijkt hardop.

Een paar plekken schitteren van pure mazzel, in de mond van het vaasje zit een geraffineerd slordig streepje wit en langs de ananas loopt een vrolijke penseelstreek die geen recht doet aan de werkelijkheid maar op het schilderij overtuigt.

Het uur is om. Ik zet mijn schilderijtje op zijn kop om de vormen te controleren en doe een paar passen achteruit. Ik ben blij met mijn beginnersgeluk en neem mijn schilderijtje in een plastic museumtasje mee naar huis. Ik wil zien of het witte lijntje langs de ananas en het wit in de mond van het kruikje overeind blijven na een nachtje slapen. Ik hoop dat de nacht ook het roekeloze en krankzinnige intact laat.