de keerzijde

onderzoek naar samenhang (21)

Met een krant rust ik uit. Ik keek het af van mijn vader die ’s avonds in de woonkamer bij kwam achter zijn avondblad, ritselend kraken van dun papier hoorde bij hem. Ik geniet het meest van de krant als er een schaar binnen handbereik ligt. Mèt schaar lees ik secuur.

Mijn schoonmoeder stuurt regelmatig een dikke enveloppe krantenknipsels op. Vaak gaan haar knipsels over kunst en cultuur, met terugwerkende kracht lees ik dan over wat ik ben gaan zien of wat ik had kunnen gaan zien. Soms is de achterkant van zo’n krantenknipsel meer van mijn gading dan de voorkant, vaak ontbreekt er dan een deel van het artikel. Dat incomplete heb ik er graag voor over als de verstekeling op de keerzijde een voltreffer is.

Een fijn artikeltje over Paulien Oltheten gaat op de keerzijde over een Zeeuw die net als Jan de Prentenknipper twee eeuwen terug, voorstellingen van papier knipt. Mijn schoonmoeder knipte precies het artikeltje over Pauline Oltheten af onder ‘Jan de Prentenknipper is zo’n legendarische Zeeuw’.

Ik koop een boek over Jan de Prentenknipper. Hij knipt weergaloos en is niet bang voor horror vacui. Binnen de rand van het papier barst de voorstelling los volgens de wetten van de knipkunst; het papier blijft samenhangend, ondanks de gaten. Jan knipt en snijdt zo dat de voorstelling de constructie ondersteunt, zoals de balken van een vakwerkhuis het bouwwerk dragen én het versierend element zijn. Alles in het knipsel schurkt tegen elkaar aan; een lantarenpaal gestut door een laddertje, een man op dunne enkeltjes overeind gehouden door een hek en een boom, een wiek van de molen reikt tot in een wolk. De constructie bepaalt voor een groot deel de voorstelling en heeft er ook voor gezorgd dat de knipsels, na ruim twee eeuwen, nog heel zijn.

Jan de Prentenknipper zwierf rond in Zeeland en Zeeuws Vlaanderen en knipte op verzoek een bijbelprentje, een boerenerf met landerijen of een huwelijksgeschiedenis. Hij knoopt de scènes aan elkaar met guirlandes en patronen. Zijn grootse knipsel is zo groot als de opengeslagen krant waar mijn vader zich in verdiepte, zijn kleinste knipsel heeft het formaat van een geboorteadvertentie. Jan is zo slim om zijn knipsels in te kleuren met waterverf, zo is hij niet geheel afhankelijk van de contouren. In enkele scènes-in-vogelperspectief knipt hij het weiland als een rechthoek en zet het met verf vol vee. Of hij aan de achterzijde eerst een schets maakte, weet ik niet, misschien kwam het hele papieren kantwerk tot stand zonder weifelen.

Kleine bijbelprentjes tuigt Jan op als een stripverhaal. Jonas hangt met kleren en al uit de bek van de groen gestipte walvis en voor hem krabbelt een tweede Jonas op, zijn blauwe jasje met gele knopen staat goed op de beige knickerbocker met gestipte kousen. Regelmatig zwicht Jan voor de saaie bombast van symmetrie. De tempel Salomons oogt als Versaille-aan-de- gracht, met uitzicht op akkers en velden. Eenvoud schuilt ook in deze prent in de details; een koe, een man, een schaap. De prent als geheel stemt me, door de overdaad, nogal moedeloos. Waar te beginnen? De voorstelling is ondertiteld met kloeke kapitalen, als kariatiden iets boven de papierrand opgesteld. De ruimte die Jan de Prentenknipper om de letters heen vrij maakte zijn als snippers op tafel gevallen, of in het gras. De snippers abstract, het knipsel figuratief.

Mijn krant puilt uit. De stand van zaken past iedere dag weer strak binnen de randen van de krantenpagina’s. Ook bericht de krant over zaken waarvan ik niet wist dat ik het wilde weten. Lezend schiet ik gaten in de volgepakte kolommen: ik sla over waar ik geen zin in heb, ik kies zelf hoe de werkelijkheid eruitziet vandaag.

De details ontroeren me. Jan de Prentenknipper knipt voorstelling, constructie en compositie tot een aantrekkelijk geheel. Het stoere karakter van zijn figuratie komt, schat ik in, tot stand door de combinatie van materiaal, grootte en gereedschap. Dik papier, klein formaat en een schaar. Op bijna ieder knipsel scharrelen kipjes, bloeien tulpjes of slingert gereedschap rond. Dat lieflijk woud van heimelijke stutten en steunberen doet mij glimlachen.