mondvoorraad

onderzoek naar kijken (1)

Met voor twee dagen voedsel en water in de rugzak beginnen wij aan de laatste mijlen van de zeventiendaagse. Vier flapjacks met rozijnen en vruchtjes van de bakker van Bellingham als kroon op de mondvoorraad. Het gaat door eenzaam gebied.

Via een steile klim over een modderig bospad naderen mijn lief en ik de hoogvlakte. Het nat van de verraderlijk zompige grond heeft mijn sokken die dag nog niet bereikt, het is nog vroeg.

De hoogvlakte is oogstrelend en baadt in scherp ochtendlicht. Ons pad loopt parallel met een afscheiding van prikkeldraad die noordelijker de grens met Schotland markeert.

De Engelse wet gebiedt kampeerders toestemming te vragen aan de eigenaar van de grond, de Schotse wet bepaalt dat kampeerders overal hun kamp mogen opslaan. Daar waar wij lopen is in geen velden of wegen iemand om permissie te vragen, noch een vlak en droog stukje grond om de tent op te zetten.

We lopen al dagen achter elkaar en praten weinig. Gesprekken voeren we in de pauzes, als we cheddar en oatcakes eten. We kijken op de kaart en hebben het over mijlen en hoogtelijnen. We peilen de bewolking en overleggen of het al tijd is voor de gamaschen.

Hier en daar is het pad belegd met grote, platte stenen om de wandelaars door het landschap te loodsen. Langs Houx Hill gaat het, richting Windy Gyle en het groene veldje van Clennellstreet waar we zullen overnachten. Aan de Schotse kant van het hek, voor de vorm.

Het pad verwatert. We staan voor een poel met pollen. Graspollen zijn kleine vluchtheuvels, je houdt er droge voeten maar je verliest tijd aan zoeken en weifelen. De wandeling schiet zo niet op.

Ik ga voorop en zoek een gunstige route, maak omweg op omweg en strand op de laatste pol. Twee stappen verderop ligt de eerstvolgende. Ik waag de sprong en zak langzaam weg, zak scheef tot mijn middel en roep. Mijn lief trekt mij op zijn graspol en helpt me overeind.

Uiteindelijk klim ik, na mijn modderbad, kletsnat over het hek. Daar treffen we een begaanbaar stuk grond aan en vervolgen onze weg tot het oorspronkelijke pad er weer betrouwbaar uitziet. Dat wij aanvankelijk aan de ongunstige kant van het hek naar een uitweg zochten is opmerkelijk. Het kwam niet in ons op elkaar meteen over het hek helpen en ons geluk daar te beproeven.

Pas met de schrik in de benen kreeg ik oog voor de gunstige gesteldheid van de grond aan de andere kant van het hek. De eerste blik was beperkter dan de tweede.